We lijsten hier de voornaamste hypotheses en assumpties op waarop het meerjarenplan is gebaseerd. De explicitering van de assumpties is belangrijk aangezien andere assumpties tot andere budgetten leiden. Het vooraf verduidelijken van de assumpties vergemakkelijkt de evaluatie achteraf, in de jaarrekening. We starten met een aantal algemene assumpties en verduidelijken dan enkele specifieke aandachtspunten.
Grondslagen en assumpties
Algemeen kader
Terug naar navigatie - Grondslagen en assumpties - Algemeen kader- De doelstellingenboom werd hertekend. In de nieuwe structuur werken we rond 4 strategische beleidsdoelstellingen:
- Wendbare organisatie
- Leefbare stad
- Levendige stad
- Stad op mensenmaat
Alle budgetten worden steeds inhoudelijk gekoppeld aan acties. Budgetten voor reguliere werking worden gekoppeld aan “kerntaken actieplannen en acties”. In de codering van de actie wordt er verwezen naar “KAP”. Acties waarover specifiek aan de gemeenteraad wordt gerapporteerd zijn de prioritaire of strategische acties. Deze zijn herkenbaar aan de codering “SAP”.
- De algemene inflatie- of index-assumptie bedraagt 2%/jaar. Daar waar er officiële ramingen (bv. APB, OV, Gemeentefonds…) zijn, nemen we die in principe over, anders duiden we waarom we dat niet doen.
- Er is een grondige evaluatie gebeurd van alle tarieven, retributies en belastingen. De wijzigingen zijn in detail opgenomen in de reglementen terzake die apart aan de gemeenteraad worden voorgelegd. De financiële vertaling van al die wijzigingen is meegenomen in het ontvangstenkrediet.
- Het exploitatiebudget bouwt verder op het vorige MJP, waarbij de jaarrekeningcijfers van 2024 als basis werden genomen. We sturen gericht bij in functie van nieuw beleid of gewijzigde omstandigheden. Het investeringsbudget wordt geraamd op basis van de meest actuele info en wordt ingepland op basis van zo realistisch mogelijke uitvoeringsverwachting. We zien een concentratie in het begin van de legislatuur. Op basis van de ervaring uit het verleden vlakken we de investeringsinspanning in het MJP uit naar een gemiddeld investeringsvolume per jaar. Dat stemt historisch gezien meer overeen met de realiteit en heeft tot gevolg dat ook de financieringsbehoefte correcter gespreid wordt in de loop van het MJP. Concreet wordt op 1 actie een correctiebudget opgenomen om het gemiddeld bedrag op jaarbasis te bereiken. Het financieringsbudget is het sluitstuk, waarbij we juist voldoende maar ook niet te veel leningen inschrijven om het beschikbaar budgettair resultaat positief te houden (cfr. de wettelijke vereiste).
-
In 2025 doen we, omwille van de start van de nieuwe legislatuur en om verwarring te vermijden, bewust geen aanpassing van het MJP meer op het oude meerjarenplan. De ramingen met betrekking tot het jaar 2025 uit de aanpassing van het MJP dat werd goedgekeurd in het najaar 2024, blijven dus van kracht. Voor de berekening van het startcijfer 2026 in het M2-schema (het zgn. gecumuleerd budgettair resultaat vorig boekjaar) gaan we dus uit van het eindcijfer 2025 uit de laatste aanpassing MJP, rekening houdend met het resultaat van de jaarrekening 2024 en de bijhorende overdrachten van het investeringsbudget. We passen een correctie toe op dit bedrag van 3.500.000 EUR omdat een aantal investeringsbudgetten uit het budget 2025 opnieuw werden opgenomen in het nieuwe MJP. Het geraamde gecumuleerd budgettair resultaat voor 2025 wordt op deze wijze bepaald op 4.457.159 EUR.
- De beleids- en beheerscyclus kent 2 officiële evenwichtsvoorwaarden. We respecteren die uiteraard:
- Het Beschikbaar Budgettair Resultaat = BBR (+/- het vroegere Resultaat op kasbasis) moet elk jaar positief zijn.
- De Autofinancieringsmarge = AFM gaat na of een bestuur voldoende marge genereert uit de courante werking om de leningslasten te dragen. Wettelijk gezien moet de AFM enkel positief zijn in het jaar 2031.
Daarnaast monitoren we ook het schuldniveau door bijkomend de relatieve schuldgraad op te volgen. De relatieve schuldgraad wordt gedefinieerd als de totale schuld gedeeld door totale exploitatie-ontvangsten. Eind 2031 stijgt de relatieve schuldgraad naar 98% (t.o.v. 90% eind 2025). De afbetalingscapaciteit van de schuld blijft verzekerd, want wordt gemonitord door de AFM.
Kadering bij budgettaire uitdaging bij opmaak MJP
Terug naar navigatie - Grondslagen en assumpties - Kadering bij budgettaire uitdaging bij opmaak MJPEen klassieker bij elke opmaak van een MJP is dat de ambities steeds verder reiken dan de budgettaire mogelijkheden. Het resultaat is een doorgedreven budgetoefening waarbij de ambities worden bijgesteld en beleidskeuzes moeten gemaakt worden in functie van het ambitieniveau en de budgettair organisatorische context.
De budgetoefening waar we nu voorstaan was bijzonder complex en uitdagend omdat enerzijds structurele inkomsten sterk onder druk komen en dalende zijn en er anderzijds een aantal stijgende uitgaven zijn die een voorafname doen op de beleidsruimte.
Langs ontvangstenzijde vallen er structurele ontvangsten weg voor een bedrag van ca 3.500.000 EUR:
- Terugvallende belastingontvangsten t.o.v. eerdere ramingen (APB en OOV)
- Terugvallende dividendinkomsten
- Terugvallende betoelaging van de hogere overheden (Elia Compensatie, middelen septemberverklaring, afbouw tussenkomst responsabiliseringsbijdrage,…)
- Terugvallende ontvangsten uit GAS-boetes
Langs uitgavenzijde noteren we volgende stijgende structurele uitgaven (voor een bedrag van ca 4.500.000 EUR):
- Pensioenfactuur (responsabilisering) ligt gemiddeld 1.500.000 EUR hoger op jaarbasis de komende 6 jaar
- Toelagen aan lokale politiezone, hulpverleningszone Rivierenland en AGB SoLag stijgen sterk (totaal ca 1.500.00 EUR extra op jaarbasis)
- Bijkomende rentelast ter financiering van het investeringsprogramma (gemiddeld 1.500.000 EUR meer op jaarbasis in vergelijking met 2024).
Op het vlak van het investeringsprogramma worden we geconfronteerd met een onvoorzien grote impact van enkele onroerend erfgoeddossiers (restauratie St-Gummaruskerk, Heilig Geestgebouw en Begijnhof). Voor deze twee projecten werden in de periode 2018-2020 bindende meerjarenpremie overeenkomsten afgesloten met het agentschap onroerend erfgoed. De subsidiebedragen werden contractueel vastgelegd op basis van de ramingsbedragen van destijds. Inmiddels is de werkelijke projectkost als gevolg van de economische en geo-politieke context enorm toegenomen, maar blijft de betoelaging wel op het oorspronkelijke niveau. De meerkost wordt momenteel geraamd op ca 40.000.000 EUR en moet volledig door de stad gedragen worden. Als gevolg hiervan wordt de fasering van de verschillende projecten herbekeken. Het resterende investeringsprogramma wordt afgestemd op de beschikbare beleidsvrije ruimte dewelke wordt afgemeten aan het schuldniveau en de daaraan gekoppelde autofinancieringsmarge.
Hervorming lokale fiscaliteit
Terug naar navigatie - Grondslagen en assumpties - Hervorming lokale fiscaliteitEr wordt een belangrijke lokale belastinghervorming doorgevoerd. De APB wordt verlaagd van 7,9% naar 7,2% en de OOV wordt verhoogd van 787 naar 995. Bijkomend worden er via een differentiatie-oefening ook een aantal bedrijfsbelastingen afgeschaft en ingekanteld in de onroerende voorheffing:
- Belasting op drijfkracht
- Terrasbelasting
- Belasting op hinderlijke bedrijven
- Belasting op brandstofverdelingsapparaten
De motivering van de belastinghervorming wordt uitvoerig uiteengezet in de besluitvorming van beide belastingreglementen (APB en OOV). Voor de ramingen van de belastingopbrengsten in het MJP hanteren we dus de nieuwe tarieven in combinatie met de ramingen van respectievelijk de FOD Financiën (APB) en de Vlaamse belastingdienst (OOV). De ramingen worden enigszins bijgestuurd op basis van eigen berekeningen en inzichten:
- OOV : De Vlaamse belastingdienst houdt enkel rekening met inflatie en niet met een stijging van de belastbare basis (het aantal en hoogte van kadastrale inkomens). Aangezien er ook een aangroei is van het aantal woningen en appartementen zal de komende jaren ook de belastbare basis toenemen. Bovendien hernemen we de actualisatie oefening in kader van de comfortelementen wat op korte termijn ook een impact zal hebben op de belastbare basis. Daarom hanteren we een groeivoet bovenop de index van 1,75% in 2026 en 2027 en nadien 1,5% (2028-2031).
- APB: Eind september heeft de FOD Financien een herraming opgemaakt voor de verwachte APB ontvangsten in de loop van het MJP. De ramingen worden fors neerwaarts bijgestuurd vanaf 2026. We gebruiken deze bijgestuurde ramingen als basis voor de berekening van de nieuwe ontvangsten. In 2030 zien we een sterke daling van de APB ontvangsten (vermoedelijk de impact van de geplande federale belastinghervorming). Er wordt echter geen bijkomende info meegegeven over hoe de berekeningen tot stand zijn gekomen. Aangezien de ramingen nog in een verre toekomst liggen en het onduidelijk is in welke mate er ook rekening werd gehouden met eventuele terugverdieneffecten zwakken we de sterke daling in 2030 enigszins af. Belangrijk is dat jaarlijks de ontvangsten worden gemonitord en bijgestuurd indien noodzakelijk.
Nieuwe lokale belastingen: We voeren een toeristenbelasting in zodat ook toeristen bijdragen aan de verdere groei van onze stad. We zetten namelijk sterk in op het aantrekkelijk maken van de stad voor toeristische beleving.
Bestaande belastingreglementen: Overige bestaande belastingreglementen worden behouden of mogelijks licht bijgestuurd in functie van gewijzigde omstandigheden. Bij de documentatie van het MJP wordt een overzicht gegeven van alle belastingen met hun geraamde ontvangsten voor de 6-jarige periode.
GAS-Boetes: Voortaan moeten de boetes meer gedetailleerd gerapporteerd worden en moet een onderscheid gemaakt worden tussen GAS 123 - Overlast, GAS 4 – Parkeren en Autoluw en GAS 5 – Snelheid:
- GAS123 + GAS4: in lijn met de geplande verhoogde inzet op handhaving, worden de ramingen iets opgetrokken
- GAS5: sinds de opstart eind 2022 noteren we een geleidelijke daling van de GAS5-ontvangsten wat impliciet de bedoeling is van deze maatregel om een meer verkeersveilige omgeving te creëren. Desalniettemin merken we toch een zekere stabilisatie in de ontvangsten.
- De totale geraamde ontvangsten voor de GAS-boetes worden voor ca 20% lager ingeschat vanaf 2026 (in vergelijking met het budget 2025).
Gemeentefonds en aanvullende dotaties
Terug naar navigatie - Grondslagen en assumpties - Gemeentefonds en aanvullende dotaties- Er zijn officiële ramingen beschikbaar voor de volledige legislatuur voor zowel de hoofddotatie als de aanvullende dotaties. Deze worden integraal overgenomen.
- De Elia-compensatie wordt gehalveerd in 2026 (225.960 EUR) en verdwijnt helemaal vanaf 2027
- De middelen die we van Vlaanderen kregen i.k.v. de septemberverklaring (energie-compensatie) verdwijnen (546.312 EUR)
Financiƫle ontvangsten
Terug naar navigatie - Grondslagen en assumpties - Financiƫle ontvangsten- De verwachte dividenden van energie-intercommunales vallen sterk terug als gevolg van de zware investeringen die nodig zijn om de energietransitie mogelijk te maken. Op jaarbasis gaat dit over ca 275.000 EUR aan minderontvangsten.
- De dividenden van investeringsintercommunale IKA kunnen stabiel doorgetrokken worden (450.000 EUR op jaarbasis).
Rentekosten
Terug naar navigatie - Grondslagen en assumpties - Rentekosten- De algemene renteassumptie voor alle op te nemen leningen in de periode 2026 – 2031 bedraagt 3,5%. Daarmee behouden we enige marge t.o.v. de huidige markt.
- We blijven gebruik maken van het commercial paper programma voor de financiering van de kortlopende thesauriebehoefte. Van zodra er een zekere buffer wordt opgebouwd, wordt het openstaande schuldpapier geherfinancierd met klassieke leningen. We doen dit doorgaans tegen het jaareinde. De leningen worden op 20 jaar gefinancierd.
Personeel
Terug naar navigatie - Grondslagen en assumpties - Personeel- Voor de prognose van de loonkost baseren we ons op de werkelijk actueel betaalde loonkost en nemen deze als basis voor de start van het nieuwe MJP, waarbij we rekening houden met de inflatieverwachtingen van het planbureau voor 2026. Voor de volgende jaren hanteren we een indexatie van 2% zoals de overige exploitatiekosten.
- In de loop van het MJP voorzien we tegen 2031 een geleidelijke afbouw van het personeelsbestand met ca 25 VTE. Dit wordt maximaal opgevangen door het niet-vervangen van enkele pensioneringen of spontane vertrekkers via een optimalisatie in de dienstverlening. Dit komt neer op een inkrimping van het totale personeelsbestand met ca 4,5% verspreid over de looptijd van de legislatuur.
- Loonsubsidies (bv. maribel, GESCO, RSZ-verminderingen…) worden doorgetrokken en aangepast op basis van de laatst beschikbare informatie.
- Als responsabiliseringsbijdrage voor de pensioenlast van de vastbenoemden baseren we ons bewust niet op de ramingen van de federale pensioendienst, maar wel op een raming op maat van Stad en OCMW Lier die we bij Ethias hebben besteld. Logischerwijs hebben we ook de raming van de Vlaamse subsidie op de respo (de kleine helft van de kost), aangepast aan de Ethias-prognose.
- We passen de federale korting van “30% van de 2e pensioenpijler aftrekbaar van de respo” toe. Deze korting bedroeg oorspronkelijk 50%, maar werd afgebouwd naar 30%.
- Voor de entiteit stad hebben we een overeenkomst met Ethias en werd in het verleden een pensioenreserve aangelegd. Alle pensioenverplichtingen worden door Ethias opgenomen. Om de pensioenreserve positief te houden worden er jaarlijks koopsommen overgemaakt aan Ethias en wordt ook de Vlaamse tussenkomst in de respobijdrage doorgestort. De koopsom bedraagt jaarlijks 700.000 EUR (tegenover 300.000 EUR in de vorige legislatuur).
Verbonden entiteiten
Terug naar navigatie - Grondslagen en assumpties - Verbonden entiteitenLokale Politie Lier:
- In 2023 werd een kaderuitbreiding van het politiekorps goedgekeurd. Deze wordt geleidelijk aan uitgerold en ingevuld hetgeen een belangrijke impact heeft op gemeentelijke bijdrage.
- Daarnaast zijn er ook op vlak van werkingskosten belangrijke nieuwe uitdagingen.
- In het kader van de budgettaire uitdagingen werd er ook op niveau van de politiewerking kritisch naar bepaalde uitgaven gekeken en worden sommige aanstellingen in de tijd gefaseerd.
- We houden uit voorzichtigheid geen rekening met eventueel betere bovenlokale financiering waarvan sprake in het federaal regeerakkoord.
Hulpverleningszone Rivierenland (Brandweer)
- De afgelopen legislatuur werd gewerkt met stabiele gemeentelijke dotaties aan de hulpverleningszone. Ook voor deze legislatuur wenst men een gelijkaardige werkwijze te hanteren.
- Gelet op de sterke stijging van de levensduurte de afgelopen jaren is het onhoudbaar om de dotaties op hetzelfde niveau te houden. Om een stabiele financiering van de HvZ mogelijk te maken stijgt de exploitatie dotatie met 34% (van 1.746.194 naar 2.340.683 EUR)
- Ook hier rekenen we uit voorzichtigheid niet op betere bovenlokale financiering.
Autonoom Gemeentebedrijf SoLag
- Het autonoom gemeentebedrijf SoLag heeft eveneens haar meerjarenplan 2026-2031 opgemaakt. Op basis van deze oefening en de uitdagingen voor de komende legislatuur vloeit een structurele ondersteuning voort vanuit de stad op basis van een jaarlijkse werkingstoelage van 237.000 EUR. Deze wordt integraal meegenomen in het MJP van de stad.
Kerkbesturen
- Onder de begeleiding van het centraal kerkbestuur van Lier hebben de Lierse kerkfabrieken een MJP opgemaakt en dit tijdig overgemaakt aan de stad. De kerkfabrieken worden de komende jaren geconfronteerd met verder dalende inkomsten (terugval kerkbezoek, lagere rente-inkomsten) en stijgende uitgaven (hoofdzakelijk energie). Als gevolg zien we dat de exploitatietekorten de komende 6 jaar toenemen. De hieruit voortvloeiende financiële ondersteuning vanuit de stad wordt meegenomen in het MJP.
Afval Intercommunale Ivarem
- We baseren ons op de MJP-ramingen dewelke door Ivarem worden opgemaakt. Tegen 2030 vallen de groene-stroomcertificaten weg. Ivarem onderzoekt momenteel mogelijkheden om deze belangrijke inkomstenbron op te vangen. In de ramingen van de werkingsbijdragen gaan we uit van een budgetneutrale operatie.
- Op niveau van het Ivarem werkingsgebied werden gezamenlijke afspraken gemaakt rond bijsturing / verhoging van de afvalbelastingen. Deze werden reeds eerder door de respectievelijke gemeenteraden goedgekeurd en worden meegerekend in de budgetten.
- Er is nog onduidelijkheid op Vlaams niveau m.b.t. de uitbetaling van de zwerfvuilvergoeding. Voor Stad Lier gaat het om een potentiële jaarlijkse opbrengst van ca 280.000 EUR. We houden nog geen rekening met deze opbrengst gelet op de nog onduidelijke timing en verdere implementatie.
Parkeerconcessie - Indigo
- Zoals in het bestuursakkoord is opgenomen wordt het gratis halfuur parkeren uitgebreid naar een gratis uur. Om de kostprijs van deze operatie op te vangen worden een aantal bijsturingen gedaan aan het bestaande parkeerbeleid.
Individuele hulpverlening door het OCMW
Terug naar navigatie - Grondslagen en assumpties - Individuele hulpverlening door het OCMW- De evolutie van aanvragen tot leefloon en aanvullende steun laten zich moeilijk voorspellen. De evoluties hangen in grote mate af van de tendensen binnen de samenleving en het socio-economisch beleid. Momenteel is een verder stijgende tendens merkbaar in het gebruik van de kredieten. Het niet-volledig betoelaagd bedrag leefloon wordt jaarlijks geïndexeerd met 4% - hetgeen een lager groeiritme is dan in het afgelopen meerjarenplan. Hiermee wordt de ambitie uitgedrukt om het lokaal activeringsbeleid – waarvoor bijkomende middelen zijn vrijgemaakt - verder te versterken.
- Voor de volgende jaren werden alle kredieten van individuele hulpverlening (zowel in uitgaven als in ontvangsten) geïndexeerd met 4%. Qua aanvullende individuele hulpverlening wordt, anticiperend op een toenemend aantal hulpvragen t.g.v. beperkingen in uitkeringen van de sociale zekerheid, bijkomend budget voorzien.
- De federale beperking van de werkloosheid in de tijd zal leiden tot bijkomende instroom bij het OCMW begin 2026. Er werd hierbij rekening gehouden met een tijdelijke, federale financiering aan 100%. De bedragen die zijn ingecalculeerd zijn vanzelfsprekend onzeker, maar vloeien voort uit VVSG-ramingen rond uitgaven en inkomsten die gebaseerd zijn op onderzoek terzake.